Geschiedenis
Naoorlogse ontwikkelingen 1945-1960
Roosevelts opvolger, Harry S. Truman, was
een geheel andere persoonlijkheid. Onder zijn bewind ontstond de breuk met de
Sovjet-Unie. Het falen van de Russisch-Amerikaanse relatie leidde de zgn. Koude
Oorlog in. De Sovjet-Unie wist Oost-Europa in haar
greep te brengen, Duitsland was verdeeld en in het Westen boden de Amerikanen
militaire en economische hulp (1947 Truman-doctrine, Marshallplan)
en deden een Atlantisch bondgenootschap ontstaan. In het Verre Oosten traden de
Amerikanen op als bezettende mogendheid in Japan, maar zij verloren China. De
overwinning in 1949 van Mao Zedong en de nederlaag van Tjiang K’ai-sjek leidde
in Amerika tot een traumatische reactie, want een eeuw lang had men geloofd in
de speciale Amerikaans-Chinese vriendschap. Nu werd het land tot aartsvijand
verklaard. In die geladen atmosfeer waren oorlogen tegen de ‘communistische
duivel’ een haast noodzakelijke uitlaatklep (vgl. de Koreaanse
Oorlog). Concluderend kan men stellen dat het
optreden van de Verenigde Staten in de Tweede Wereldoorlog wel leidde tot de
bevrijding van de wereld, maar dat het tevens een Amerikaanse zelfoverschatting
in de hand werkte. Wat men gepresteerd had, was indrukwekkend, maar de
gevolgtrekking dat men nu overal ter wereld regelend kon optreden, zou bittere
gevolgen hebben. Ook hier gold weer dat de betrekkelijk jonge natie er nog niet
in slaagde haar eigen identiteit en daarmee haar rol in de wereld te vinden. De
voornaamste voorwaarde daarvoor, een binnenlandse consolidatie, was nog niet
aanwezig.
Na de oorlog ontwikkelde zich in de
Verenigde Staten in snel tempo een onvoorstelbare welvaart. Er waren weliswaar
vergeten groepen, maar de grote meerderheid bereikte een peil van leven als
nooit tevoren. Een economische en technische revolutie veranderde het land
totaal. Onzekerheid en schrikreacties konden niet uitblijven. Mensen die in het
snelle proces van verandering ontworteld raakten, volgden gemakkelijk
extremistische leiders, zoals ca. 1950 Joseph McCarthy. Deze fervente
anticommunist slaagde erin een hetze te bewerkstelligen tegen alles wat
intellectueel en in zijn ogen links was. Maar het systeem bracht hem ook weer
ten val. Uiterst rechtse en linkse agitatie hadden als het erop aankwam geen
kans; de Amerikaanse politiek bleef bepaald door het midden. De Democratische
coalitie, die door Roosevelt tot stand was gekomen (de steden, de etnische
minderheden, de intellectuelen, de zwarten), bleef in de meerderheid. Dat bleek
bij de herverkiezing van president Truman in 1948, tegen alle verwachting in.
Wel zocht het kiezersvolk in 1952 heul bij de vaderlijke figuur van Eisenhower,
die als Republikeins kandidaat optrad (in 1956 herkozen), maar gedurende bijna
zijn gehele bewind bleef de meerderheid van het Congres Democratisch.
De jaren vijftig waren jaren van
betrekkelijke rust. In de buitenlandse politiek beheerste John Foster Dulles als
minister van Buitenlandse Zaken de situatie, strak vasthoudend aan zijn streven
naar het tegengaan van expansie (containment)
van de communistische wereld door middel van militaire bondgenootschappen. In
het binnenland bleef de welvaart duren. Het enige lang verdrongen probleem dat
toen aan de oppervlakte kwam, was dat van de relaties tussen de rassen. Oorzaken
daarvan waren de veranderde mentaliteit ten gevolge van de oorlog tegen Hitlers
racisme, de door de televisie bevorderde communicatie en niet het minst het
ontwaken van de zwarte bevolking zelf.